Verhaal over het ontstaan van het beeld. ‘97.

Op een avond in maart nodigde ik Frans uit om samen met mij een beeld te maken voor de manifestatie in de voormalige Snijderskazerne van begin juni. Hij ging onmiddellijk accoord, nog voordat ik hem kon vertellen wat de reden van mijn verzoek was. Ik denk dat hij onuitgesproken al wist dat dit project zou voortborduren op onze ervaringen met het beleidswerk voor kunstcentrum de Hollandsche Spoorweg. We zitten immers wat dat aangaat op identiek hetzelfde spoor. Zijn concepten zijn de mijne en vice versa; mochten ze elkaar toch niet volledig overlappen dan weten we ze al discussierend snel tot overeenstemming te brengen.

Ik vertelde hem dat de organisatoren van deze manifestatie elke deelnemende kunstenaar, met een atelier aldaar, hadden gevraagd zich te koppelen aan het werk van een kunstenaar van buiten. In ons geval betekende dit, dat de organisatie ons had verbonden aan Huib Noorlander, een etser en bronsgieter op leeftijd, die niet de moeite had willen nemen een ander uit te nodigen, edoch wel mee wilde doen uit sociale overwegingen. Ik ging verder met hem te zeggen dat ik daar een uitgelezen mogelijkheid in zag om ons beleidswerk voor kunstcentrum de Hollandsche Spoorweg en het Centrum Beeldende Kunst Nijmegen in de richting te trekken van installaties met voortaan expliciet onze eigen signatuur. Voortaan geen exposities meer van installaties van anderen, waarvoor wij een tentoonstellingsconcept hadden bedacht. Dit eerste project zou een overgangsproject betekenen omdat we ook hier nog uit konden gaan van het werk van een ander; daarnaast konden we toch naar een expositieconcept zoeken, dat een bijdrage zou kunnen leveren aan de discussie over het tentoonstellen van kunst met betrekking tot de relatie tussen kunst en het dagelijkse leven. Het zwaartepunt zal daarbij steeds meer naar ons eigen werk gaan verschuiven. Dit betekent dat de expositie niet meer ondergeschikt is aan het werk van de exposerende kunstenaar, maar eerder omgekeerd: het tentoon te stellen werk staat in dienst van het concept voor de expositie. Echter hier zit een adder onder het gras, hetgeen in het vervolg van dit verhaal duidelijk zal worden.

Om zo snel mogelijk concreet te worden zou ik een afspraak maken met Huib Noorlander. Ik belde hem en introduceerde ons plan: "Wij zijn door de organisatie aan elkaar gekoppeld en nu wilden wij, vanuit onze manier van werken, op dit gegeven inspelen door ‘ons beeld’ een interactie te laten aangaan met jouw werk. Daartoe willen we een afspraak met je maken voor een atelierbezoek, om enigszins bekend te raken met je werk en te weten waarover we praten." Hij stond niet onwelwillend tegenover dit gegeven, en zag in een atelierbezoek eveneens de aangewezen weg om onze ideeën nader tot elkaar te brengen.

Tijdens het atelierbezoek op vrijdag 4 april, voelden we al snel dat het moeilijk zou worden een ingang te vinden voor het bedenken van een concept. Zijn werk leent zich daar nauwelijks voor. De grote klokken, die hij maakt, worden door de toeschouwer sacraal gevonden terwijl Noorlander dit zelf relativeert, niet alleen door te zeggen dat hij zich geen religieus man vindt. Ook de kleine bronzen leggen daar getuigenis van af. Deze sculptuurtjes, toch nog een paar decimeter groot en een soort souvenirs van de grote klokken, worden onder rechthoekige glazen kooien op een gebrande-omber-bruine sokkel gezet en stralen daardoor in een zo mooie setting, dat, naar Huibs’ zeggen, ze een kritisch commentaar worden op hun eigen schoonheid. Een mooi voorbeeld van zijn relativerende kijk is een beeld in wording midden in het atelier: op een tafel staat een wassen obelisk met aan de top een paar frivool ogende wolken, ook in was. De obelisk, als pronknaald, wordt door zijn gedrongen afmetingen, terwijl hij toch tot in de wolken rijst, een karikatuur van de Egyptische gedenktekens zoals we die kennen.
Het gevolg is dat we gedwongen worden naar onszelf toe te gaan. We worden dit keer niet geconfronteerd met werk dat een aanleiding vormt voor een beeldende reactie, zoals dat in het verleden het geval was, en dat is goed, fantastisch zelfs.

Na de alleszins prettige ontmoeting bij Huib, ging er een weekend overheen voor Frans en ik onze bevindingen confronteerden met elkaar. Weer werd gezegd dat ‘ t moeilijk zou worden een concept te bedenken en legde ik er nog ‘ ns de nadruk op dat voordat er ook maar iets uitgevoerd zou worden we een plan van alle kanten moesten bekijken om te zorgen dat het een waterdicht beeld op zou leveren. Op 7 april legde Frans zijn plan op tafel: "De enige mogelijkheid die ik zie om Huibs werk met een concept van ons te verbinden, is door bij de vitrinebeelden van Huib in de gang waaraan zijn atelier grenst, warenhuisgeluiden te laten horen." Ik ging mee in dit plan, om twee redenen. Het was een start en had relatie met ons Spoorwegwerk door het plaatsen van het werk in een breder kader; ik kon echter de draagwijdte ervan op dat moment nog niet volledig overzien, zoals een ontmoeting met Willem Muijs, een vroegere jeugdvriend, op Tasma’s atelier op dinsdag, 8 april, ten overvloede aantoonde. Intuitief voelde ik al wel dat het beeld ver van ons af stond, te ver, in die zin dat het een concept betrof dat reageerde op het werk met de ogen van de ‘kritische’ toeschouwer, maar niet met de ogen van de verbeelder, die een aspect van het werk bij zijn eigen beeld betrok; in het kunstcentrum zochten we na het zien van werk altijd naar concepten, die het werk zouden laten discussieren met het tentoonstellen van kunst, een context die het individuele werk uitdaagde om te reflecteren op zichzelf en de wereld van alledag. In het overleg met Frans kon ik op dat moment slechts reageren door een toevoeging aan zijn idee: "In de sportzaal kunnen we dan een video laten zien van de gang, waarin Huib zijn vitrines toont, met een koptelefoon eraan waarop de warenhuisgeluiden te horen zijn." Ik zei hem nog dat de bedoeling ervan was toeschouwers te lokken naar de niet zo in de loop liggende gang, terwijl ik nu weet dat mijn reactie erop gericht was het plan meer body te geven. In beide gevallen had dit niets met een inhoudelijke reactie te maken; die kon ik op dat moment niet geven. In het wilde gesprek op Tasma’s atelier moest ik toegeven dat ons plan een commentaar was op Huibs werk en daardoor een kritiek. Ik wilde daar aanvankelijk niet aan, maar de eerlijkheid gebood me om op dat moment de enorme beperking te zien van ons plan en dat nu wilden we koste wat ‘ t kost vermijden; dat willen we in de HS niet en nu ook niet, om de al te simpele reden dat het gemakkelijk inkoppen is op de rug van een ander. Geen discussie over het huidige kunstbegrip door kritiek op het werk van collegae; dat is het terrein van critici en wij willen met eigen beelden commentaar leveren. Geboren om zich te verhouden met een discours over kunst in de wereld werd het plan in een valkuil geworpen die we met onze overijverige opgeklopte ego's over het hoofd hadden gezien. Terug naar af.
Woensdagavond, 9 april, besprak ik met Frans dit schampschot en breidde als oplossing zijn geluidsplan uit: "Ik stel voor om in de entree een receptie te maken met twee bewakingsmonitoren. Een ervan toont een video met daarop de vitrinegang van Huib, terwijl daar een openingsreceptie gaande is; wanneer de toeschouwer informeert waar deze opening plaatsvindt wordt hij/zij naar de bewuste gang verwezen; daar aangekomen ziet de toeschouwer een lege gang, weliswaar wel met de vitrines en de resten van de opening, maar zonder mensen. De andere monitor laat het plein zien voor de kazerne-ingang; het is leeg." We zitten nu op de goede weg, maar het plan vertoont nog leemtes. Frans wijst erop dat de toeschouwer zich genomen voelt als hij de gang verlaten aantreft, waardoor zij/hij er niet toe aangezet wordt naar onze bedoelingen te zoeken. Hij stelt dan ook voor om de receptie te lozen en uitsluitend de resten van een openingsfeest te laten zien. In Frans' benadering speelt de overweging dat ons beeld zich eerder met de dagelijkse werkelijkheid moet verbin- den, dan dat ‘ t duidelijk als kunst te herkennen moet zijn, een zeer belangrijke rol. Geen 'reality' met een 'c' ervoor! Ik vind 't alsmaar te summier en wil een slapende suppoost erbij, achterin de gang op een stoel. Nu, al typend en mijmerend, komt bij me op dat 2 wachtposten in militair tenue voor de ingang van de gang nog beter zijn.

In elk geval is me nu duidelijker dan voorheen, dat in het concept 'het beeld' veel meer naar onszelf moet worden toegetrokken en is het moment daar om het huidige plan aan een grondige beschouwing te onderwerpen en het daaraan te toetsen: De resten van het openingsfeest staan voor een reactie op het kunstinstituut; Een opening bakent mede het instituut tentoonstelling af en helpt mee aan het in stand houden ervan en van de scheiding tussen kunst en realiteit. Precies en juist de activiteiten eromheen helpen eraan mee deze tweespalt in leven te houden. Dus wordt het tonen van de resten van de opening een commentaar. De wachters bewaken het instituut van de tentoonstelling, maar ook de nutteloosheid ervan! De vraag is nog, moet het openingsfeest daadwerkelijk plaatsvinden? Je zou zeggen als er een video van getoond moet worden zeker! Maar de video, is die noodzakelijk!? Een video van het gebeuren speelt ook met controverses realiteit-fictie en realiteit-kunst! [Flarden gaan door mijn hoofd: Werk van Du Cordier; dit verhoudt zich heel sterk met de aarde, terwijl ons project zich met relaties bezighoudt! De relatie op zich, als concept(?). Commentaar op kunstbedrijf, kunst, het exposeren van kunst, kunst en de werkelijkheid, het leven: 2 gescheiden zaken. Beuys, Serra (I'm not involved with art, I'm involved in an action), Kosuth, Judd, Warhol(?), Duchamps, Mik]

Wanneeer we ervan uitgaan dat we over de tweespalt kunst - werkelijkheid heenstappen en dat kunst een imaginaire wereld schept, dan zijn we duidelijk en kunnen we onze geschoonde perceptie in dienst stellen van het daadwerkelijk eigen beelden creeren, beelden die gaan over onze ervaringen met de dagelijkse werkelijkheid. Wellicht scheppen ze een duidelijker werkelijkheidsbeeld. Goed, zelfs de dagelijkse werkelijkheid staat in onze wereld bloot aan realiteitsconflicten. Immers, doordat de techniek een verlengstuk wordt van onze zintuigen kan onze perceptie gemanipuleerd worden en wel op een zodanige manier dat 'creality' en 'reality' niet meer van elkaar te onderscheiden zijn. Kunst speelt daarop in, moet daar iets mee, omdat kunst vanuit haar beweging zich al eeuwen bezighoudt met illusie en werkelijkheid.

Op 18 april bespraken Frans en ik de ontwikkelingen tot dusver. Frans stelde voor, omdat het beeld nog te weinig naar onszelf was toegetrokken, nog te weinig onze mening toonde, om voor Huibs expo in de gang een hek te zetten met daarop namen die we van toepassing vonden. Als antwoord liet ik hem bovenstaand stuk lezen, waarna ik zei, dat mijn 2 wachtposten uit eenzelfde onbevredigend gevoel waren voortgekomen en zowel hek als wachtposten de bewaking van het kunstinstituut symboliseren. 'Het valt me op', vervolgde ik, 'dat we dezelfde bedenkingen bij de stand van zaken hebben en we afzonderlijk tot weliswaar verschillende oplossingen komen die echter qua idee vrijwel volledig samenvallen.' Nadat we tot de conclusie gekomen waren dat het ons vooral gaat om een kritiek op het kunstinstituut en het instituut van de expositie, werd snel duidelijk dat een vergroting van alle activiteiten die de tentoonstelling afsluiten van het dagelijkse leven een begin van de oplossing van ons beeld is.
De ideeën die naar aanleiding daarvan opborrelden waren:

Al met al brengt het geworstel met dit beeld + het lezen van de 'vakbladen' een oplossing voor de openingsexpositie van het nieuwe kunstcentrum hier in de stad. In een artikel van Jorinde Seijdel, 'Over het inburgeren van het alledaagse' lazen we de zin: "Wil de kunst werkelijk in het leven opgaan, dan zou dat altijd ten koste van de tentoonstelling zijn." We bedachten dat het een prima statement zou zijn om deze zin, weliswaar enigszins aange- past, in neon-letters in het centrum te hangen, een maand lang als een expositie van Seijdel.
kunst ] leven Y ¬ tentoonstelling

Maandag 28 april.
'sMiddags na afloop van de vergadering van ONK [Overleg Nijmeegse Kunstenaarsinitiatieven] kwamen Frans en ik bij elkaar om ons plan voor het ‘billboard’ van Arno Arts te bespreken. De vitaliteit van ons samenwerkingsverband bracht dit tweede plan op tafel. Al snel ging ons gesprek echter uitsluitend nog over ons kazerneplan, vanwege de urgentie ervan. Frans was van mening dat het plan zoals het nu op tafel lag te zeer leunde op ons werk als tentoonstellingmakers en te weinig uitging van onszelf als kunstenaars; te zeer bemoeide het concept zich alleen met Huibs’ werk. Zelf konden we te veel buiten schot blijven. Dat al onze plannen tot nu toe vergiftigd werden door een gewoontepatroon in ons denken, zag ik op dat moment pas echt helder; we waren gewend om, bij het zien van het werk van een ander, tegen elkaar te zeggen: "Oh, daar vinden we wel een tentoonstellingsconcept voor." Niet dat ‘de expositie’ geen onderdeel van ons werk zou mogen zijn, integendeel. Maar het moet niet zo zijn dat we concepten blijven bedenken, die alleen maar uitgaan van het werk van anderen in een daaraan geplakt expositieconcept, omdat de toeschouwer daar altijd schouderophalend aan voorbij kan lopen als het werk hem niet aanstaat. We tonen uiteindelijk geen algemene visie maar altijd een die enorme moeite heeft het werk van de betreffende kunstenaar te overstijgen. Onze ervaringen met het kunstcentrum leerden dat te weinig bezoekers de algemene visie achter het tentoonstellingsconcept zien; hoewel we weliswaar onze namen hieraan verbinden verwachten we toch niet dat een installatie van ons rond het werk van Huib dit probleem zal oplossen. We moeten de installatie meer naar onszelf toetrekken en daarbij toch het relationele aspekt niet vergeten. Frans stelde voor om zelf brons te gaan gieten. "Als ik dat zou doen, zou ik een ideale kubus willen gieten en deze in een vitrine van Huib plaatsen", zei ik schoorvoetend. Frans opteerde voor een hekje. "Ik ben een priegelaar", voegde hij eraan toe. Na nog eens vastgesteld te hebben dat we onszelf meer moesten confronteren en dat onze installatie er anders uit zou moeten zien kwamen we na nog wat omwegen op een nieuw plan. Nee, een slapende suppoost bij een kapotgeslagen vitrine met de bronzen kubus op de voet ervan zagen we als een te duidelijk kritisch statement, en werd vanwege zijn eenduidigheid overboord gegooid; we willen geen Alexander Brener zijn, omdat dit niets uithaalt. Een beeld kan de bestaande machtsverhoudingen niet omgooien. Het is naïef dat te denken!
Dus ziet ons plan er nu als volgt uit:

We legden Huib nog de volgende dag ons nieuwe plan voor en introduceerden het door de geschiedenis van de ontwikkeling van ons eerste idee tot de installatie van nu te schetsen. Huib begreep onze reserves m.b.t. ons eerste warenhuizengeluidenplan niet: ".....Een commentaar op mijn beelden? .......kritiek? ........ach kom, daar moeten ze tegen kunnen, anders zijn ze niet goed!" En zo was Huib dus ook meteen te vinden voor ons laatste bedenksel, zolang het hem maar geen tijd kostte. Ik kreeg meteen al goede adviezen mee van Frans en vooral Huib voor het gieten van mijn beeld. Ik vertelde dat de kubus een blok zou worden, verkleind en in dezelfde verhoudingen als het glazen omhulsel van de vitrine en dat ik de maten ervan dus nodig had, maar niet vooraleer Huib ons toestemming gaf voor het gebruik van 2 vitrines. Natuurlijk was dat goed. Alleen het hekwerk kon niet aan de muur bevestigd worden, vanwege veiligheidsredenen; het waarheidsgehalte van het hek werd zowiezo al ondermijnd door de aanwezigheid van kunst in de buurt ervan. Waarom de illusie dan niet versterkt door het gewicht van ijzeren staven te laten concurreren met het gemak waarmee het 'stevige' hek opzijgeschoven kan worden. Zo, dat was ook weer opgelost.

Op 2 mei en 21 mei verdiepten we ons in

Tevens handleiding!

14 mei.
Omdat we iets moesten doen met de aankondiging in de sporthal van de kazerne stelde ik Frans voor om foto’s van ons drieën te maken voor een affiche en belde ik Huib voor een afspraak. Omdat Huib al snel op vakantie ging spraken we af voor de volgende middag.

15 mei 1997.
Huib had zich in het zwart gekleed voor de gelegenheid en nog gauw even zijn praktisch witte haar geknipt, want ‘t was van dichtbij in korte stukjes terug te vinden op z'n trui. Frans was er met Djoerd, zijn zoontje van 3; Djoerd was erg verlegen en kleefde voortdurend aan Frans' benen. Het had onvermijdelijk zijn invloed, omdat, zo ‘t al niet te zien was aan het gezicht van Frans, toch duidelijk was dat Frans Djoerd vasthield, ook al waren het bustefoto’s. Maar eerst moesten de twee naaimachines weggesjouwd worden naar de loods van Ien; een zwaar karwei, omdat de apparaten nauwelijks met z’n tweeen te tillen waren. Daarna zette ik 3 stoelen tegen de lange blinde muur van ‘t atelier - de softboxen stonden al opgesteld - en stelde het fototoestel in op een totaalfoto van ons drieen; Djoerd werd gemaand om in de deuropening te blijven staan; dat lukte slechts met tussenpozen, terwijl ik tussendoor varieerde van telelens naar 50mm-objectief en op momenten Djoerd tot bedaren probeerde te brengen door hem ertoe te bewegen op de ontspanner van het fototoestel te drukken. Zo wisten we toch voldoende foto’s te maken, mede omdat Ien in de buurt was om ze te schieten, nadat ik ingesteld had. Na afloop bleven we nog voor een kop koffie en spraken over kunst en de situatie in Nijmegen. Het samenzijn was geanimeerd en iedereen voelde zich enorm vertrouwd; het gekeuvel had dagen mogen duren, hoewel - en daar komt de door mijn opvoeding ingepompte hang naar het functionele weer om de hoek kijken - ‘t me soms te veel deed denken aan het uitsluitend passeren van de tijd, zoals oude mannen kunnen doen op een bankje in een park. Omdat Anna en Marthe, die inmiddels thuis gekomen waren van school, zich over Djoerd ontfermd hadden, kon ruimte voor ons gesprek ontstaan. Tenslotte maakte Djoerd daar een einde aan door voor de zoveelste keer te melden dat er poep in zijn broek zat.

22 mei 1997. Na de vergadering van BKO met de gemeente [wethouder Wellen + E. a/d Stegge] naar de Olifant, alwaar Bonnie het deksel op het blok laste. Hij deed het slordig, weet ik nu; de spanning van het lasapparaat was te hoog en het blok werd niet egaal verhit. De holle vorm gaf nog een prachtig geluid; nu niet meer, alsof de dichte vorm klankdood was geworden. De holle vorm had nog een funktie, het blok daarentegen was volledig zinloos geworden: een baksteen was het, een destruktief wapen, niet meer. Thuis werkte ik het blok bij met de slijper, zodat de grootste oneffenheden verdwenen waren.

23 mei 1997. In de Olifant wist ik Bonnie, de andere beheerder, ertoe te bewegen de diepste gaten + de gaten die overbleven na het uitdrijven van de roestvrij stalen pinnen dicht te lassen, ze te vullen met vloeibaar brons. Er ontstonden barsten rond de lasplekken weer omdat het blok niet egaal verhit was. Als ik toen geweten had, wat ik nu weet ....... Ik hoopte dat het frezen van het blok alle leed zou doen vergeten en toog ermee naar machinefabriek De Boer. Dit bedrijf was me aanbevolen door Louis, de vader van een vriendinnetje van Marthe; nadat ik hem mijn probleem had voorgelegd, zei hij dat het blok laten frezen met een mantelfrees de beste oplossing zou zijn. Bij De Boer werd ik na mijn introductie bij de receptie voorgesteld aan het prototype van een machinebankwerker: een grote man met een shirt met grote overwegend groene ruiten, die rust en vakbekwaamheid uitstraalde. Hij troonde me mee naar de man die alles wist van prijzen en in overleg spraken we af , hoewel ik ‘t aardig prijzig vond, dat het niet meer dan 300 gulden excl. zou gaan kosten. Hij legde de nadruk op exclusief om aan te geven dat het ook zonder bon zou kunnen; ik had dit niet door op dat moment, druk als ik was met het koesteren van mijn bronzen beeld.

Op 28/5/’97 lasten we het hek; ik hielp Frans met het boren van de gaten in de twee strips, waarin later de staven gestoken moesten worden. Diezelfde morgen werd ik in de Olifant gebeld door De Boer met de mededeling dat er erg veel gaten en barsten te voorschijn kwamen in het oppervlak van het bronzen blok. Ik sprak met ze af dat ik even een kijkje zou komen nemen alvorens ze ermee verder zouden gaan. Ik had net zo goed meteen kunnen zeggen dat ze ermee door moesten gaan, omdat ik te zeer verblind was door het ideaalbeeld dat ik nastreefde. Frezen zou mij parallelle wanden opleveren en dit zou me dichter brengen bij mijn doel, dacht ik. Gemakkelijk ging ik voorbij aan de putjes en naden, die zeker na schuren en polijsten heel duidelijk zichtbaar zouden worden; op dat moment was dat geen punt van overweging en zag ik niet in dat elke beweging van dan af mij verder van huis zou brengen. Steeds dacht ik elk nieuw probleem het hoofd te kunnen bieden en zag in laatste instantie een soort goudvulmiddel als laatste redmiddel. Toen ik terug kwam in de Olifant was Frans net klaar met het in elkaar steken van het hek; niettemin vond ik dat de horizontale strips wat dichter naar elkaar geschoven moesten worden. Zo gezegd, zo gedaan, waarna Bonnie de staven voorlopig provisorisch aan de strips laste. We parkeerden het hek in de invormruimte en stonden even te kijken naar een wassen naakt aldaar. Ik vroeg de maker naar de beweegredenen om zo’n ideaal, sensueel en tegelijkertijd kuis, naakt in brons te willen gieten. Verstoord zei hij dat er geen enkele andere overweging was dan dat hij het mooi vond en of ik daar wat op tegen had. Ik zei hem dat ik er geen oordeel over had en slechts uit nieuwsgierigheid mijn vraag stelde in de hoop voor mezelf een antwoord te krijgen op mijn eigen diepere gronden om me met kunst te verhouden. De volgende dag haalde ik mijn blok op bij De Boer; ik betaalde er en sprak mijn tevredenheid uit over hun werk; in werkelijkheid kon ik wel huilen, maar wie anders dan mezelf kon ik daar op aanspreken; immers, alleen bewegingen in mijn eigen hoofd konden aansprakelijk gesteld worden voor mijn verdriet. Ik was het die een zuiver idee, van een volmaakt bronzen blok zonder enige oneffenheid en ontworpen volgens de op de vitrine's van Huib betrokken gulden snede, uitgedrukt wilde zien in materie, terwijl ik moest weten dat zij weerbarstig was.

Donderdagavond 29/5/'97:
Afspraak met Theo Jennissen en Steef Woldinga. Ze waren er niet, zodat wij Lian, Frans en ik naar het café afzakten. Frans vertelde, nadat Lian al vertrokken was, over zijn persoonlijk drama; ik herkende er veel in en begreep meer van onze vruchtbare samenwerking.
Dat weekend 31/5-1/6: uitleen; weinig mensen en toch heel veel plezier erin. Frans was er zaterdag; René kwam en Jeannette; zij leende wat van René. Harmjan bracht zijn portretjes; dub erover te vragen of de Loods het portretje van Frank v/d Schoor wil kopen. Harmjan hield opdracht voor portretje over aan uitleen: Iens moeder.

Dinsdag 3/6/’97.
'sMiddags kwam John kijken naar het bronzen blok i.v.m. mijn vraag over ‘t schuren en polijsten ervan; bovendien meldde ik hem dat ik een beetje met mijn handen in het haar zit na de aanschaf van een setje slecht en duur schuurpapier. Hij gaf zeer nuttige aanwijzingen: gebruik stevig waterproof papier, maak het nat en schuif het blok erover; laat het onder zijn eigen gewicht schuren en bekommer je vooralsnog niet om het resultaat; na gebruik van papier met gradatie 200 moeten de freessporen volledig verdwenen zijn; dan pas ga je naar een fijnere gradatie en vergeet niet het papier en het blok schoon te spoelen als het papier dreigt dicht te slibben. Ik nodigde hem uit om ‘savonds een pilsje te komen drinken, terwijl ik zou schuren; ik hoopte dat de tijd dan sneller zou verstrijken, want ik zag op tegen de enorme hoeveelheid werk. Hoewel ik ervoor gewaarschuwd was werd dat tegenstribbelende gevoel nog versterkt toen ik aan het eind van de avond merkte dat er weinig schot in zat. Ik nam me voor de volgende avond vanuit een meditatieve houding aan de slag te gaan; mijn ervaring met Bhoeddistische meditatie zou zich nu uit kunnen betalen.

Op woensdagmorgen 4/6/’97 laste Frans het hek af bij mij op het erf, terwijl ik doorging met schuren. Om half een kwamen de directeur, Frans, en de onderdirectrice, Paulie, van het NIM, Nijmeegs Instituut voor Maatschappelijk werk, langs om werk uit te zoeken voor hun hoofdkantoor; zij zag er moe uit en hij kon ‘t verbergen achter zijn gedrevenheid. Ze liepen wat rond en tussendoor vroeg Paulie naar werk waarop de Waalbrug voorkwam. Vanzelfsprekend werden de twee Ooy-landschapjes van René Brouns uitgekozen, want zij hadden die gewenste link met het plaatselijke; dat ze voor een pasteltekeningetje met rode bloempjes van Ien Hegeman en een sculptuur van Frans Ameschot kozen lag iets minder voor de hand. De intimiteit ervan en het kleine formaat, symbool voor hun achterplaatsenwerk, trok ze over de streep. Bij het weggaan zei Frans dat zij er een beleid van maakten om plaatselijke kunstenaars te steunen door zo nu en dan werk aan te kopen. Ik vertelde dat we in de Loods eraan hechten een low-profile organisatie te blijven, zoals Paulie ons bij onze eerste ontmoeting karakteriseerde. Dit kwam onduidelijk over, zeker toen Frans ons HS-verleden erbij haalde... We leken alleen maar gefrustreerd..
Het had heel wat voeten in de aarde voor we een videospeler hadden gevonden die aan het einde van de film terug kon spoelen om daarna weer opnieuw te beginnen. Eerst lieten we ons een Akaispeler met rental-play aansmeren. Thuis gekomen deed het ding niet wat ze ons beloofd hadden; een blik in het woordenboek leerde dat rental-play alleen sloeg op het afspelen van huurvideo’s, casettes, waarvan het opnamelipje verwijderd was. In dat geval spoelde de casette na insteken of aan het eind van de band terug naar het begin; niet meer.... Weer terug in de winkel wist de verkoper, mhr. Oeneman, niets beters te vertellen dan dat hij zijn apparaat terug zou nemen. Wijzelf moesten hem erop attent maken dat er apparaten in zijn winkel stonden die deden wat wij nodig hadden en dat is herhaald automatisch afspelen. Na enig onderzoek bleek een Grundig-machine met monitor te doen wat we wilden en die wilden we mee naar huis nemen; edoch, de rekening van de Akai [699.-] moest overlegd worden om de boekhouding van Hifi Centre Video kloppend te houden en die lag nog thuis op tafel. De hitte van die dag begon ons nu parten te spelen en hoe we ook redeneerden, de man was onvermurwbaar. Als we er niet snel eentje nodig hadden gehad, waren we naar een ander gegaan. Ik zei Frans dat ik de rekening wel ging halen, dan kon hij het hek intussen naar de kazerne brengen, mits hem dat alleen zou lukken; hij knikte bevestigend. ‘sAvonds begon ik om 9.00 uur met het schuren van het bronzen blok en hield er om 1.00 uur mee op; de gradaties van het schuurpapier namen in die tijdspanne toe van 180 via 400 en 600 naar 1000. Tegen enen liet ik het blok niet meer onder zijn eigen gewicht over het papier glijden, maar duwde het stevig over de ondergrond. Dat zorgde voor een versnelling van het proces, maar had zijn consequenties voor de hoeken van de vier vlakken die ik had geschuurd; ze vertoonden aan het eind van de avond een lichte afronding. Er valt mee te leven.

5/6/’97 In de morgen maakte ik met Frans foto’s van de 3 beelden met de professionele flitsers die de Loods aangeschaft had: eerst dat van Huib, toen die van Frans; in de tussentijd poetste ik m’n beeld op met polish; ‘t werd een spiegel; op de gaatjes en lassporen na. Nadat de andere twee beelden gedaan waren maakte ik een paar foto’s van m’n blok, waarbij ik er goed op lette niet te veel last van reflecties te hebben van de flitsen. Nadat het rolletje van 12 vol was liet Frans ze ontwikkelen in de stad, terwijl ik me verdiepte in de nieuwe videospeler, en een begin maakte met het opnieuw editen van onze videoband.

6/6 ‘97 Om 10.00 uur reed ik met m’n spullen het kazerneterrein op. Frans en Huib waren er al. Voordat we startten met het inrichten dronken we eerst een kopje koffie in Huibs atelier; daarna lichtte ik de beheerder in over ons plan om de gang af te sluiten met een groot ijzeren hek; hij ging ermee accoord. Terwijl Frans de halogeenverlichting boven de beelden achter in de gang deed, hing ik de affiches op een prominente plaats midden in de sporthal op; door 3 affiches naast elkaar op te hangen ging de idee dat ‘t kunst was eraf en waren het nog louter aanplakbiljetten. Huib leverde nog een sokkel voor de monitor. Na wat vijven en zessen werden de computerprints onder aan het ijzeren hekwerk gehangen i.p.v. op de grond, de plek waar Huib zich sterk voor maakte. Frans volgde Huibs optie, maar ik wilde ze stellig tegen het hek omdat ze dan een duidelijker commentaar waren op de gebeurtenis erachter. Nadat we zo goed als klaar waren haalde ik mijn videocamera en fototoestel thuis op en legde de installatie vast.

Om 20.00 uur ging ik met Ien en Marthe naar de opening. Frans en Ellen waren er en Huib met zijn Ineke. Samen dronken we buiten een drankje. Hans Driessen kwam wat later bij ons zitten, maar was nauwelijks aanwezig; van onze installatie had hij de computerprints gemist toen ik hem vroeg wat hij daarvan vond. Na nog wat alcoholklets aan de bar in de kantine waar Huib zijn lidmaatschap van de plaatselijke Rotary aan de grote klok hing en zijn auteursrecht van het Rotterdamse ‘Ketelbinkie aan een iets kleinere klok, kwam ik om 1.00 uur thuis.

7/6 Frans neemt de honneurs waar in de kazerne! Ik doe dat op zondag de achtste.

8/6 ‘97 Nadat ik de installatie weer geinstalleerd had liep ik nog wat rond in de sporthal en dwaalde daarna door de gangen. Daar trof ik Servie Janssen; ik vertelde hem dat we als cie. van de Hollandsche Spoorweg/CBKN ontslagen waren; we spraken over de repercussies en al pratend landden we achter een kop koffie in de kantine. Ik praat met een gevoel van groot respect met hem, maar zie slechts een kleine man, gefrustreerd door gebrek aan erkenning van de grote kunstwereld. Zijn opmerkingen over een Initiatiefgroep Beeldende Kunst die hij samen met o.a. Gerard Koek rond ‘88 was gestart en die door het doen uitgaan van slechts een brief naar de politiek leidde tot de verwezenlijking van de ‘kubussen van Struijken’ en de realisering van het Museum voor Moderne Kunst, legden hiervan getuigenis af. Ik kreeg die dag bijzonder slechte zin en wist aanvankelijk niet waar die vandaan kwam, tot ik me realiseerde dat ik oog in oog had gezeten met mijn eigen frustraties. Alsof ik ruimschoots een uur in de spiegel had staan turen en maar niet wilde zien dat ik er slecht uitzag. Later pas wist ik ‘t.

9/6/’97 Om 10.00 uur zaten we weer bij Huib aan tafel in zijn atelier; we dronken een kopje Nescafe en aten een berenkoek; volgens Huib waren we de allereerste genieters van dit door zijn bakker geconterfijte splinternieuwe bedenksel. Onder het genot van dit alles verdeelden we de onkosten, ook die van het hekwerk. De videospeler met monitor werd geleverd door de Loods. We spraken af om de organisatoren, 6 in totaal, elk een fles wijn te geven. Later op de dag bood ik ze aan; aan elk had ik een kaartje gebonden met daarop een verkleinde uitgave van het affiche [zie afb. hiernaast {ware grootte}]. Tot slot bespraken we het budget voor de videofilm die we voor het Teneeterproject van Huib zouden kunnen maken, tenminste als Huib de stg. Kunst & Educatie voor dit plan warm zou kunnen krijgen; we kwamen uit op een bedrag van 5 à 6000 gulden voor een filmpje van een minuut of tien. ‘sMiddags om 15.15 uur kwam Huib vertellen dat hij van de Teneeterdames eerst moest gaan praten met videoregistratiebedrijf ARP alvorens hij met ons in zee kon gaan. Nu begrijp ik, dat, willen we deze klus binnenslepen, we een concept moeten schrijven voor deze film. Mij is echter nog niet voldoende duidelijk wat we hiermee kunnen t.a.v. onze visie op kunst. Er komt nu in me op dat we de camera als een los oog moeten zien, een oog dat altijd aanstaat, dat soms gericht kijkt en soms niet en dan alleen geluiden registreert. Alleen van daaruit kunnen we vertrekken, noodzakelijk zo, omdat ik vooralsnog geen zin zie en heb voor het maken van een documentaire-achtige film.