De edele kunst van het bronsgieten
vrijdag 2 mei zag ik Frans, zoals afgesproken, om 9.30 uur in kunstenaarswerkplaats de Olifant; we wilden ingelicht
worden over de dagen dat er bronsgegoten zou worden, zodat we er onze agenda's op af konden
stemmen; daarbovenop waren we uit op nog meer informatie over het invormen van Frans' hekjes en
van het blok dat ik wilde gieten. Tot slot vergaten we niet de perikelen rond de
anachronistische Gemeenschap Beeldende Kunstenaars te bespreken met Klaus, een kunstenaar, en Bonnie, een van de 2 werkplaatsbeheerders.
Wat bezielde ons toch? Hoe blind waren we wel niet, dat we ons met die onzin bezighielden.
"Ach ja", zeiden we schouderophalend tegen elkaar, "we kunnen ons nu eenmaal niet compromisloos in deze 'edele aller kunsten' verdiepen!"
Goed, dinsdag 6 mei konden we er aan de slag en om 9.15 uur die dag werd mij opengedaan;
Frans was er al; hij had een setje speelgoedhekjes gekocht en ik had m'n mal klaar; volgens Bonnie en zeker
Kees (de andere beheerder) moest deze eerst gelakt en met iets van zonnebloemolie ingesmeerd worden, motorolie was
ook goed; zo gezegd zo gedaan; 4 keer afstrijken met de aanwezige lak op
thinner-basis leek me wel genoeg. Het leek snel te drogen, leek, zeg ik, omdat het vervolg
van het verhaal laat zien dat wellicht hierin de oorzaak van het verlies van een dag werk school.
Ondertussen verwarmde ik boetseerwas en goot die in de vorm, nadat ik deze met motorolie
had behandeld. Na afkoeling bleek de was niet los te laten, zat zelfs stevig vast.
Huib, die 'smiddags langskwam, zei dat ik naar hem had moeten luisteren: ik had voor mijn vorm vezelplaat in plaats van MDF moeten gebruiken en die een minuut of twintig in het water moeten houden.
'Veel simpeler!' voegde hij eraan toe.
Op mijn vraag, waarom MDF niet bruikbaar zou zijn, antwoordde hij dat hij daar geen ervaring mee had; het bevestigde mijn vooroordeel dat bronsgieten niet meer van deze tijd is en dat kennis daaromtrent dus uit een ver en grijs verleden stamt.
Al met al was mijn MDF-vorm niet meer bruikbaar en moest ik naar huis om een nieuwe mal te maken. De hekjes van Frans waren volgens de experts, Bonnie, Kees en Klaus te dun en te fragiel om gegoten te kunnen worden, doch Frans kon dit ter plekke opvangen door de wassen gietkanalen te gebruiken voor het bouwen van zijn hekjes.
De volgende dag stond ik weer om kwart over negen paraat in de Olifant; Frans was er al; hij
moest de laatste hand nog leggen aan het invormen. Ik begon opnieuw, dit keer met het
verwarmen van gietwas, want boetseerwas was, zo was me te verstaan gegeven, in mijn geval
niet van toepassing. Om een uur of tien kwam Huib en hielp me met het ingieten; de eerste
wasvorm zag er niet gaaf genoeg uit: de was was niet heet genoeg en de pan was niet voldoende
vol, zodat een klein pannetje de rest moest aanvullen. Deze onderbreking in het vullen gaf
na uitharding en het verwijderen van de malwanden een naad op 3/4 van de vorm te zien. De
wanden van het blok waren niet strak genoeg: veel haarlijntjesen luchtgaatjes. De tweede
poging gaf een vorm waarvan de wand minder dik was; bovendien was weer de hoeveelheid
was niet toereikend; dit onderving ik door goed te roeren zodat de hele wand met was bedekt
werd. Dit keer stond er een beter resultaat; alleen de bodem zag er slecht uit; veel naden en
gaten vervuilden het strakke oppervlak; daar kwam nog bij dat de bodemribben vrij sterk
afgerond waren; had dit te maken met de te lage temperatuur van de was?
Ik probeerde zo goed en zo kwaad als het ging de wassen vorm bij te werken met boetseerwas.
Na een half uur bleek mijn ideaal van perfect strakke wanden niet te verwezenlijken binnen de
door mij ervoor beschikbaar gestelde tijd; ik schatte dat hiervoor een paar dagen nodig zouden zijn, terwijl mijn strakke wanden achteraf, na het gieten, sneller te realiseren zouden zijn. Bovendien besefte ik dat de juiste beslissing meer ervaring in het bronsgieten vereiste. Daarom nam ik genoegen met een compromis van een uur wanden strak maken en begon met invormen.
Ik volgde de aanwijzingen van Huib en zette de vorm op zijn kop, waarna ik roestvrij stalen
pennetjes in elke wand van de vorm stak [3 in elke zijde en 2 in de bodem].
Mocht de grove vorm voorheen het stempel maagdelijk opgedrukt hebben gekregen, dan was hij dat nu beslist
niet meer. Niets aan te doen, want het was noodzakelijk om de binnenkern op zijn plaats te
houden, nadat de was was weggestookt.
Daarna mengde ik in een bakje chamotte [1 dl], gips [1 dl] en een beetje roodband voor de
vertraging van het uitharden; dit mengsel kwastte ik over de vorm nadat ik deze met spiritus
behandeld had om bellenvorming te voorkomen; het leek in niets meer op het strakke gele blok
van voorheen, hoewel ik daar al niet tevreden over was. Nu was de tijd rijp voor de rubberen
band om mijn grillig gevormde blok.
Het rubberen omhulsel werd vastgemaakt met ijzerdraad en een
tentklem, waarna ik er karnemelk van gravel [2 dln] + gips [1 dl] in goot, tenminste dat was
de bedoeling; mijn onervarenheid zorgde ervoor dat ik het mengsel te dik maakte zodat het
slecht tussen alle oneffenheden in de rubberen cilinder vloeide; ik meende nl. te weten hoe
ik een gravel-gips-mengsel moest aanmaken, op grond van enige summiere kennis van de droging
van gips en vergat daarom te checken of mijn mengsel de juiste kwaliteit bezat. Na droging
verwijderde ik de rubberen band en keerde het blok, dat nu een 2 keer zo grote cilinder was
geworden, om, om gietkanalen te maken op 2 plaatsen in de rand van mijn holle wassen blok,
dat nu weer gedeeltelijk zichtbaar was geworden; dan nog de cocktailprikkertjes in de rand
voor de ontluchting; hup, deksel erbij, met gietkanaal en ontluchtingsrietjes, kippengaas
eromheen, rubberen band er weer omheen, op de geeigende manier vastgemaakt en nog een keer
een gravel-gipsmengsel in karnemelkformaat erin; ziezo, even drogen en klaar om uitgestookt
te worden.
21 mei 1997.
De dag van het bronsgieten is aangebroken.
Frans en ik waren er vroeg en haalden de ingevormde beelden uit de oven; de was was er inmiddels uitgestookt. We zogen de gietmonden en ontluchtingskanalen schoon met een stofzuiger, waarna we ze afdekten met wat krantenpapier, dat met ijzerdraad werd vastgezet. Vervolgens konden de vormen op hoogte worden gesorteerd en in metalen kralen gezet;dat was niet onze taak. De ruimtes rondom de vormen werden gevuld met zand + gravel en aangestampt met spitse stokken. Mochten er calamiteiten optreden tijdens het gieten dan was nu het geheel binnen de kraal goed beveiligd.
Zo, nu lieten de gietmonden zich weer van het papier bevrijden, zodat twee potige, door leren kleding en een gezichtskap goed beschermde, kerels er het vloeibare brons in konden gieten. Voor de eerste keer een spectaculair gezicht.
Na afkoeling van pakweg een kwartier tot een half uur was het tijd om de omhulling van klei en gravel weg te slaan, hoewel het blok nog gloeiend heet was. Met een beitel timmerde ik de kern eruit; daarna bewerkte ik het blok met de staalborstel en de hogedrukspuit, hoewel dat laatste wel erg lang duurde; mijn stoffigheid of, zo je wilt, mijn stommiteit droeg er zorg voor dat ik niet zag dat het ding nauwelijks druk gaf. Kees, een van de beheerders, maakte me er op attent, overigens zonder me uit te lachen, wat ik achteraf erg fideel van hem vond, want er was alle reden toe.
Klodders brons zaten aan het als vlak bedoelde oppervlak van mijn bronzen blok. Ze waren ontstaan bij het invormen; de te dikke gravelpap had niet in alle gaten en kieren rond de was kunnen vloeien; bovendien was het oppervlak te grof geworden, omdat wasvorm in aanvang met te dikke chamotteklei was ingepenseeld.
Frans' hekjes waren er nog erger aan toe: bronzen klodders zaten in zowat alle hoeken. Een van de hekjes bleek niet meer te restaureren.
Hoewel ik mezelf op dat moment weinig succes toedichtte toog ik zonder dralen aan de slag om de gietkanalen en de klodders te verwijderen met de haakse slijper. Ik zag dat het deksel ietwat was kromgetrokken, maar had er vertouwen in dat dit te verhelpen moest zijn, omdat de dikte groot genoeg was. Thuis zaagde ik hem zo goed en zo kwaad als het ging op maat en sleep hem zodanig bij dat hij op het nog open blok paste.
Met dank aan
Bonnie, Kees, Klaus en Huib
voor hun vakkundige adviezen
en mentale steun.