 |
 |
 |
Het spel
De nacht bergt een weverij. Vrieskrakende morsetekens,
patronen van bloemen, verlokkende weerkaatsing. Fluittonen ontsnappen aan de beweging van het ijs.
Een spel begint.
Op de tast, de huilende, tintelende handen, pijnlijk. Klevend aan het ijs tot onwillig,
getemd en afdruipend. De druppel nog schitterend. Kristallen wikkelen af tot op de draad.
Ontrafelde taal van de kou.
Te snel, te warm, te koud en te laat. Het verdwijnende ijs, zonder zich prijs te geven en met lege handen.
Meer nog de ervaring en kloppende warmte.
|
 |
 |